Er zijn 4 manieren om een judopartij te winnen: door een perfecte worp, door een houdgreep van 25 seconden, door een verwurging of armklem waarbij de tegenpartij aftikt of door diskwalificatie van de tegenstander wegens oplopende straffen. In al deze gevallen is het ippon en is de partij beëindigd. Bij deels gelukte aanvallen worden deelscores gegeven. Deze scores en de tekens die de arbiter daarbij geeft staan hieronder uitgelegd.

 

hajime

Hajime: begin

yuko

Yuko: score: 5 punten

waza-ari

Waza-ari: score: 7 punten

awaseti

Waza-ari awaseti: score van een tweede Waza-ari, hetgeen gelijk staat aan ippon. Einde van de partij. Score: 10 punten

ippon

Ippon: hoogste score en beëindiging van de partij. Score: 10 punten

ongeldig

Wegwuiven: score wordt ongeldig verklaard

rolletje

Rolletje : straf voor te weinig activiteit

straf

Toewijzen van een straf. De scheidsrechter maakt eerst met gebaren duidelijk waarom een straf wordt gegeven, bijvoorbeeld inactiviteit. Straf wordt op het scorebord gezet en de tegenspeler krijgt een vermelding en bij een 2e straf volgt een score op het bord. De volgende straf wordt zwaarder en de tegen score dus hoger.

 

Valt er geen ippon, dan duurt de partij de volle tijd. Degene met de hoogste score wint. (scores worden niet opgeteld, alleen de hoogste score telt.) Bij gelijkspel volgt de goldenscore voor de tijdvan de wedstrijd min 1 minuut. Zodra er gescoord wordt is de partij over. Wordt er binnen de goldenscore niet gescoord, dan volgt een beslissing van de scheidsrechter(s).

Ga naar boven